Het verenigingslied der N.S.Z.V. de Loefbijter

(couplet 1)

Wij zeilen in Friesland en zeilen in Mook,

Maar naast dat sportieve bezatten wij ons ook,

We hijsen de zeilen,

De schipper aan het roer,

De rest kijkt slechts toe,

En voelt zich heel stoer

(refrein)

We zingen loef, Loefbijter,

Loefbijter gaat voor de wind,

Want waarheen we ook zeilen,

De wind wordt bemind

 

(couplet 2)

We hijsen de zeilen,

En steken van wal,

Onze boten die brengen ons echt overal,

Scylla, Charybdis die blijven ons trouw,

Met storm en met regen,

En ook in de kou

 

(refrein)

We zingen loef, Loefbijter,

Loefbijter gaat voor de wind,

Want waarheen we ook zeilen,

De wind wordt bemind

 

(couplet 3)

En iedere dinsdag dan zakken wij door,

In de kelder,

In de villa,

Daar gaan wij steeds voor,

Roddel volop die gaan vreselijk snel,

Zorg dat je er bij bent,

Dan weet je ze wel

 

(refrein)

We zingen loef, Loefbijter,

Loefbijter gaat voor de wind,

Want waarheen we ook zeilen,

De wind wordt bemind

 

(couplet 4)

Wil je naar loef,

Of toch maar naar lij,

Kijk dan naar je zeilen,

En stel ze snel bij,

Als loefbijter bloed door je aderen stroomt,

Zul je elk doel bereiken waar je stiekem van droomt.

 

(refrein)

We zingen loef, Loefbijter,

Loefbijter gaat voor de wind,

Want waarheen we ook zeilen,

De wind wordt bemind